Beleggers krijgen langzaam maar zeker meer vertrouwen in het vermogen van beleidsmakers om een destructieve deflatiespiraal te voorkomen. In tegenstelling tot eind 2008 hebben beleggers nu tenminste het idee dat de malaise in de economische en financiële sector daadkrachtig wordt aangepakt via een reeks (onconventionele) beleidsmaatregelen. Ook zijn de verwachtingen voor de winstcijfers van ondernemingen gedaald naar realistische niveaus en zetten marktpartijen zich al schrap voor een halvering van de wereldwijde winsten.
Wat zijn de gevolgen hiervan voor de aandelenmarkten en hun steunniveaus? Om te beginnen moeten Europese beleggers hun eigen landenindices negeren en alleen oog hebben voor de Amerikaanse S&P 500-index. Tenslotte zijn de VS nog altijd toonaangevend voor de internationale aandelenmarkten. Voor de S&P index vormt een bandbreedte van 650 tot 680 punten een essentieel technisch steunniveau. Als die bandbreedte wordt doorbroken schieten we onder het niveau van de sinds 1928 bestaande opgaande trend en zouden we nog eens 20 à 30% onderuit kunnen gaan! Het was dan ook geen toeval dat deze index afgelopen maart een laagtepunt bereikte op 666 punten (een interessant getal voor de bijgelovigen onder ons), dus precies midden in deze ondersteuningsrange. Wij geloven dat er een reële kans bestaat dat de 666 het finale dieptepunt voor de huidige baissemarkt zal blijken te zijn, hoewel het nog wel een keer benaderd en getest kan worden.
Als we kijken naar eerdere naoorlogse baissemarkten, vallen de overeenkomsten direct op. In vrijwel elke periode van grote beurszwakte tikte de S&P index drie keer een belangrijk dieptepunt aan voordat het herstel uiteindelijk intrad. Het eerste dieptepunt werd steeds bereikt na een periode van paniekverkopen (zoals nu in november 2008); het tweede, diepere laagtepunt volgde een tijdje later in een minder paniekerig klimaat (zoals nu in maart 2009), waarna het derde dieptepunt over het algemeen rond diezelfde indexniveaus lag, bij wijze van ‘test’ van de soliditeit van deze bodem. Ook nu zou dit patroon zich weer kunnen herhalen. Dit houdt dan in dat de laagterecords van maart nog eenmaal op de proef gesteld zouden kunnen worden.
Op dit moment houden de markten rekening met een wereldwijde daling van de winstcijfers van rond 50%, iets meer in Europa en iets minder in de VS. Dit lijkt ons een redelijke aanname die bovendien goed past in ons economisch hoofdscenario: een diepe recessie in 2009 en een traag herstel in 2010. De komende maanden zullen beleggers waarschijnlijk heen en weer geslingerd worden tussen de hoop dat de stimulerende maatregelen beginnen te werken en de vrees dat de we uiteindelijk toch ‘Japanse’ taferelen krijgen. Normaliter zet een blijvend marktherstel enkele maanden voordat de bedrijfswinsten hun laagste punt bereiken in. Dat verwachten wij niet voor eind 2009/begin 2010. Daarnaast zouden wij ook sceptisch staan tegenover iedere heropleving van aandelenkoersen die niet gepaard gaat met dalende rentes op bedrijfsobligaties (ten opzichte van overheidsobligaties) en een duidelijke bodemvorming in de Amerikaanse huizenprijzen.
Concluderend voorzien wij een reële kans dat een negatieve deflatiespiraal kan worden voorkomen en dat dit een goed instapmoment voor de lange termijn zal blijken te zijn voor de aandelenmarkten. Waarschijnlijk zullen de VS en Azië ons ergens in de komende 12 maanden uit deze recessie trekken. Want als het alleen aan de traag en overdreven calvinistisch optredende ECB zou liggen, zou de kans op herstel een stuk lager zijn. Tegelijkertijd blijft het voor beleggers zaak geduld te oefenen. Wij zouden aandelen alleen getrapt (bij)kopen, omdat we, zoals gezegd, later dit jaar mogelijk nog een “test” van het laagterecord van maart krijgen.