Met de terugkeer van de rust op de financiële markten zien we aandelen en obligaties over een brede linie stijgen. Opvallende dissonanten zijn hierbij de koersontwikkelingen van de grote olie- en gasmaatschappijen. Zelfs een sterk oplopende olieprijs helpt de aandelen niet omhoog te krijgen.
Sinds het begin van dit jaar zien we aandelenkoersen van Royal Dutch Shell, Total en Repsol achterblijven ten opzichte van de gemiddelde aandelenbeurzen. Zo is de koers van RDSA met 2,1% gedaald en staat de AEX-index sinds begin dit jaar zo’n 4% hoger (exclusief dividenden). Wie dit met de Duitse DAX vergelijkt, ziet een nog groter verschil. Op zich is daar niets vreemds aan. Juist nu de olieprijzen sterk stijgen is dit zeker een vreemde gewaarwording. Is een stijging van de olieprijs per saldo geen reden om in Royal Dutch Shell te beleggen?
Allereerst kunnen we gerust stellen dat de olieprijzen stijgen als gevolg van de onrust in Iran. Maar er is al langere tijd is spanning tussen vraag en aanbod van olie. De vraag stijgt door de opkomst van nieuwe economieën sneller dan het aanbod. Daarbij blijkt nu dat de productieverhoging die de OPEC vorig jaar heeft ingezet, maar tijdelijk volgehouden kan worden. De conclusie die we kunnen trekken uit deze mededeling is dat de productie van de landen gelieerd aan de OPEC haar grens heeft bereikt. En in de komende jaren zal de spanning tussen vraag en aanbod alleen maar toenemen. Niet voor niets heeft president Obama aangegeven dat hij de kwetsbare Amerikaanse economie minder afhankelijk wil maken van het zwarte goud.
Margedruk
Waarom blijven de olieconcerns dan achter? Een hoge olieprijs is juist goed voor de kasstroom van onze oliemaatschappijen. Dat klopt. Al enkele jaren blijken de oliemaatschappijen over grote hoeveelheden groeiende kasstroom te beschikken. Dat is een prettige bijkomstigheid voor aandeelhouders die willen profiteren van een zeker en robuust dividendrendement.
Toch zijn we hier niet volledig. Olieconcerns zijn zogenaamde integrated companies. Zij moeten de prijs van olie namelijk ook als inkoopprijs doorberekenen in hun down stream activiteiten.
Daarnaast kampt Shell met een groot probleem. De groei blijft achter. In dit geval groei van de olie- en gasreserves. Uit de reacties op de cijfers van Shell bleek dat beleggers vonden dat er te veel geld naar investeringen ging. Vreemd, want die investeringen zal Shell naar mijn idee juist moeten opvoeren. De onderneming kampt immers al jaren met een zwakke groei van de oliereserves. Niet voor niets heeft de onderneming een bod van bijna 1 milard Britse pond uitgebracht op Cove Energy. De dominante positie van Shell in het olie- en gasrijke Afrika staat onder druk. Juist nu in deze regio meer en meer olie- en gasvondsten worden gedaan. Shell zou er daarom goed aan doen nog meer te investeren in bedrijven die zich alleen maar bezig houden met de exploratie van olie- en gas. De prijs die daar nu voor betaald moet worden is naar mijn idee zeer gunstig. Opvallend in dat kader is ook het gedwongen vertrek van Malcolm Brinded, hoofd van de divisie Upstream International. Zou de mammoettanker Shell daarmee eindelijk van koers gaan wijzigen?
Goud zoeken
Wie goed zoekt kan verschillende bedrijven vinden die- in de schaduw van de grote beurzen – met succes opereren in het exploratiesegment. Met een stijgende olieprijs liggen daar de kansen. Wil je als belegger profiteren van een hogere olieprijs? Of wil je de prijs aan de pomp hedgen, dan zul je het vooral moeten zoeken in oliebedrijven die direct profiteren van de olie of gas die ze uit de grond of zeebodem pompen. Dit zijn over het algemeen de minder grote beursgenoteerde ondernemingen. De onbekendheid maakt ze echter niet onbemind.
Door: Peter Cordes, Bustelberg effectenkantoor