Tegen 17 mei waren aandelen uit de ontwikkelde landen vijf dagen op rij gedaald. Dat was de langste aaneenschakeling van dalingen sinds midden november 2010 en onder meer een gevolg van de schuldproblemen in de eurozone.
Aandelen uit de opkomende landen hebben betere fundamentele factoren en een sterker economisch momentum. Hun waarderingen zijn positief vanuit historisch oogpunt en in het licht van de obligatierendementen, maar neutraal vergeleken met aandelen uit de ontwikkelde landen. De inflatie en het monetaire beleid kunnen als negatief worden gezien, maar er zijn wellicht voldoende positieve factoren om dit goed te maken.
De groei van de eurozone versnelde in het eerste kwartaal en was indrukwekkend in Duitsland. Globaal genomen hield de tweedeling tussen sterkte in het noorden en zwakte in het zuiden stand. De groei van de eurozone zal per saldo vertragen door begrotingsdiscipline, een sterke euro en (bescheiden) renteverhogingen door de ECB.
In het eerste kwartaal kon de ECB de forse groei nog als een reden aangrijpen om de rente in de eurozone te normaliseren, maar zowel de groei als de inflatie vertraagt; daarom zal de ECB haar rente slechts geleidelijk verhogen. De Fed heeft meer aandacht voor groeivertragende aspecten zoals de hoge olieprijs, maar zal haar QE2-programma toch zoals gepland tegen eind juni stopzetten. Het einde van QE2 kan de rente op staatsobligaties omhoog duwen omdat daarmee een grote bron van vraag zal opdrogen, maar als aandelen het slecht blijven doen zullen beleggers misschien toch in toenemende mate hun heil in veiligere activa zoals staatspapier zoeken. Dat zal wellicht een meer uitgesproken effect op risicovolle beleggingklassen hebben, maar een grote correctie wordt niet verwacht.
Bron: BNP Paribas
Elke ochtend beleggingstips ontvangen? Meld u gratis aan voor Cashcow Daily!