Al voor de Japanse verkiezingen in december vorig jaar verhoogde Shinzo Abe de druk op de Japanse centrale bank om energieker de deflatie te bestrijden. In een reactie daarop en op de radicalisering van de Amerikaanse centrale bank heeft de Japanse centrale bank de afgelopen tijd een aantal concessies gedaan.
Zo heeft zij ingestemd met een inflatiedoelstelling van 2% en met het principe van ongelimiteerde aankopen à l’Américaine van activa (om te beginnen uiteraard staatsleningen). Dit lijkt een voor Japanse begrippen ongehoorde koerswijziging, maar nadere bestudering van de mededelingen van de Japanse centrale bank maken duidelijk dat deze nog steeds tegenstribbelt. Ongelimiteerde aankopen beginnen pas in 2014 (waarschijnlijk onder het motto: een krijgsman wint al veel, al wint hij niets dan tijd) en de omvang (rekening houdend met aflossingen) is in vergelijking met 2011 en 2012 gering. Niettemin heeft de valutamarkt enthousiast gereageerd op Abe’s actie: de yen is zo’n 23% in waarde gedaald ten opzichte van de euro en zo’n 17% ten opzichte van de Amerikaanse dollar. Zij gaat er –waarschijnlijk terecht- vanuit dat dit slechts een openingsbod is van de Japanse centrale bank. Op 8 april verloopt de ambtsperiode van de huidige gouverneur en Abe zal een opvolger benoemen die een sterke wil aan de dag legt om deflatie te boven te komen.
Nog twee directieleden (van de negen) worden binnenkort vervangen, waarmee Abe dus kort na zijn aantreden als premier een fors stempel kan zetten op het besluitvormend orgaan van de centrale bank. Bovendien zinspeelt Abe op een wetswijziging om het mandaat van de bank aan te passen en deze bijvoorbeeld de mogelijkheid te bieden om buitenlandse staatsobligaties te kopen teneinde de yen te verzwakken. Weliswaar heeft Abe een tweederde meerderheid in het Lagerhuis, maar mist een gewone meerderheid in het Hogerhuis. In juli zijn voor laatstgenoemde verkiezingen. Mocht Abe ook deze verkiezingen winnen dan is de weg vrij voor drastische wetswijzigingen: tot die tijd moet hij omzichtig opereren. Het voorschot dat de valutamarkt op het monetaire beleid genomen heeft is al met al begrijpelijk. Nu is inflatie maken niet zo moeilijk in vergelijking met het aanzwengelen van groei. Dit is ook de reden waarom de centrale bank zo tegenstribbelt. Voor een grotere groeidynamiek is deregulering van de Japanse economie noodzakelijk, verdere liberalisering van de handel met het buitenland en een grotere arbeidsparticipatie van de snel vergrijzende Japanse bevolking. Hogerhuisverkiezingen staan ingrijpende initiatieven op dit vlak voorlopig in de weg.
Het aanzwengelen van inflatie is ook niet zonder risico’s voor de Japanse schuldpositie. Met een overheidsschuld van 220% BBP zijn hogere lange rentes het laatste wat de Japanse economie kan gebruiken. De beweeglijkheid van de lange rente is wel iets toegenomen en na de verkiezingen is het niveau wat gestegen, maar met 0.8% voor de tienjaars is er nog weinig aan de hand. Een belangrijke factor hierbij is dat het overgrote deel van de Japanse overheidsschuld in binnenlandse handen is en dat er vermoedelijk ook in Japan sprake is van aanzienlijke financiële repressie: partijen, waaronder banken, worden min of meer gedwongen Japanse overheidsleningen aan te houden. De koersval van de yen heeft de vrees gewekt dat we aan de vooravond van een nieuwe valutaoorlog staan.
Tot dusver hebben de overige machtsblokken gematigd gereageerd. Stilzwijgend geven zij toestemming voor de schoktherapie, waarschijnlijk in de hoop dat Japan uit meer dan twintig jaar lange lethargie ontwaakt. Maar gezien de zwakke conjunctuur zowel in de Verenigde Staten en Europa zijn er grenzen aan hun incasseringsvermogen. Het grootste risico is voor Europa, omdat de Europese Centrale Bank op voorhand niet bereid is de strijd met andere centrale banken aan te gaan in termen van kwantitatieve verruiming. Het pragmatisme van de Amerikaanse centrale bank is veel groter. Al met al resulteert Abeconomie op termijn in een hogere wereldwijde inflatie. Een wat hogere inflatie is nooit weg om het wereldwijde aanpassingsproces te vergemakkelijken, maar al te optimistisch over het groeibevorderend effect ben ik niet.
Door: Léon Cornelissen, Robeco
![]()
