Met zekere regelmaat blijft het idee opduiken dat banken kunnen worden opgesplitst in een ‘nutsdeel’ en een risicovol deel. Dit uit zich dan in oproepen tot het afsplitsen van de ‘investment banking’-activiteiten van banken. De uitwerking is om meerdere redenen heel erg lastig.
Het achterliggende idee is dat spaargeld van de burger niet moet worden aangewend voor financiering van risicovolle activiteiten. Dat is in principe een goede gedachte, was daar maar eerder aan gedacht, bijvoorbeeld toen Icesave werd toegelaten op de Nederlandse spaarmarkt. Het spaargeld zou dan moeten worden aangewend om de reguliere kredietverlening aan burgers en bedrijven te financieren. Nogmaals, een goede gedachte, maar wel een met een achterliggend probleem. Wij hebben in ons land namelijk bij lange na niet genoeg spaargeld om de gewone kredietverlening te financieren.
Nederland heeft weliswaar een nationaal spaaroverschot, maar de besparingen liggen in belangrijke mate vast bij onze pensioenfondsen. En die zetten dat natuurlijk niet op een spaarrekening bij de bank, die beleggen hun middelen professioneel en wereldwijd. De hoeveelheid ‘vrije’ besparingen in ons land is tamelijk gering. Die is zelfs niet groot genoeg om alleen al de hypothecaire kredietverlening te financieren, laat staan de kredietverlening aan het midden- en kleinbedrijf. Banken hebben dus voor financiering van hun reguliere kredietverlening de internationale financiële markten nodig. Dat betekent productontwikkeling, maatwerk leveren voor beleggers en secundaire markten in het eigen schuldpapier onderhouden.
Balans
Maar er zijn meer investment banking-activiteiten die direct het gevolg zijn van klantgerichte activiteiten. Nederland heeft een groot en internationaal opererend bedrijfsleven. Dus worden Nederlandse ondernemingen geconfronteerd met wisselkoersrisico’s. Deze moeten ze kunnen beheersen, bijvoorbeeld door gebruik van derivaten.
Daarbij hebben ze banken nodig die als tegenpartij bij dergelijke transacties kunnen optreden. En wat te denken van het grootbedrijf dat zelf de kapitaalmarkt opzoekt ter financiering van de activiteiten? Zij doen dat aangezien zelf geld aantrekken in plaats van bij de banken lenen in veel gevallen goedkoper is. Dit proces van disintermediatie zal de komende jaren weer aan kracht winnen, omdat de implementatie van ‘Basel III’ gaat leiden tot duurdere financieringskosten van banken. Bij dit proces van disintermediatie treden de banken op als adviseur en begeleider van emissies.
Ook moeten zij regelmatig, zeker rond het tijdstip van emissie, tijdelijk aanzienlijke porties van de uitgegeven effecten in portefeuille houden. De emittent wil immers graag de volledige opbrengst van de emissie hebben. Maar de bank moet er voor zorgen dat de emissie ordelijk en zonder verstoring van de markt verloopt. Investment banking pur sang, maar honderd procent klantgedreven.
Uiteraard moet een bank ook haar eigen balans kunnen beheersen. Er zit nu eenmaal een stevige spanning tussen aan de passivazijde direct opvraagbaar en variabel rentend spaargeld en aan de activazijde leningen met een lange looptijd en vaak een lang vaststaande rente, zoals bij hypotheken. Banken hebben voor het beheersen van hun balans eveneens derivaten nodig ter beheersing van hun rente- en liquiditeitsrisico.
Trekschuit
Het nostalgische beeld van een risicovrije bank die spaargeld met een kleine opslag doorschuift naar burgers en bedrijven dateert van minstens een halve eeuw geleden. Sindsdien heeft de financiële sector zich nogal ontwikkeld en daar heeft de economie echt wel baat bij gehad. Op zichzelf kan het geen kwaad om de diverse investment banking-activiteiten nog eens kritisch tegen het licht te houden. Maar om ze helemaal af te splitsen?… We willen toch ook niet terug naar de trekschuit omdat we de vertragingen bij de NS zat zijn?
Door: Wim Boonstra, chef-econoom Rabobank Nederland